Ziekenhuiswandelingen …

Sinds 20 juni dwaal ik door de catacomben van het Radboud UMC in Nijmegen. Van de afdeling neurologie naar cardiologie, tussenstop bij het lab, en weer terug. Ik ben verknocht aan ingang Oost, heeft iets kleinschaligs, dus ik parkeer mijn auto standaard daar, gewoon omdat het me rust geeft. Het Geert Grote Plein (hoofdingang) is te onpersoonlijk; een smeltkroes van bezorgde, verdrietige en soms blije mensen. Ik wandel liever die lange gangen door, op zoek naar de lift die me naar mijn vader brengt, mijn pap, die inmiddels niet zonder een kapje zuurstof kan. Ik passeer bedden, brancards en kinderbedjes die daar staan opgesteld, wachtend op patiënten, op mensen die een zorg nodig hebben, die ziek zijn. Ik kijk naar het beddengoed, naar de medewerkers op een fiets, step of gewoon duwend achter een rolstoel, naar bedden die worden geparkeerd en weggereden. Raar, mensenlevens beginnen en eindigen hier beneden, hier boven… Zal ik ooit zelf zo overgeleverd zijn aan anderen, jonge slimme mensen, doctoren in opleiding die de leeftijd van mijn eigen kinderen hebben? Natuurlijk, ik snap het wel, dat is de nieuwe generatie, goed opgeleide, slimme meiden en jongens, maar hoe oud ben ik? 51, damn, ik ben dus echt al oud! Die realisatie is er eentje die hard aankomt. Overgeleverd zijn aan de zorg van anderen, afhankelijk zijn van de expertise van mensen die je niet kent, ik vind het eng, doodeng! Vandaag ben ik even gaan zitten op een bankje ergens daar in die catacomben. In de lift een viertal ziekenhuis medewerkers die vroegen of ik toch echt niet naar verdieping “0” moest, nee ik wilde naar “-1” mijn escape route, mijn wandeling door de wereld van leven en dood. Er passeert een bed, met begeleider, ik herken hem. Die reed mijn vader een dag of 5 geleden ook door deze gangen, hij herkent mij niet. Logisch, hij ziet heel veel gezichten, mensen, patiënten, ik herkende hem meteen, kijk hem even aan, maar zijn blik vervaagt in de uitzichtloze gang; alweer een ritje naar …. who knows where? Natuurlijk denk ik dan, dit is een fabriek, een gezondheidsfabriek, en we zijn nummertjes, motoren die gerepareerd moeten worden, die onderhoud nodig hebben, die uiteindelijk verstommen in anonimiteit. Het is waarschijnlijk mijn naïviteit die denkt dat IK iemand ben, dat ik een verschil maak, voor wie of wat dan ook. Terwijl ik opsta van dat bankje en mijn vertrouwde route vervolg, zie ik links een heel klein bordje … “Mortuarium en Klinische Pathologie”, tja ik had het kunnen weten, die is ondergronds, was me nooit eerder opgevallen. Zouden mensen ooit bij de portier moeten informeren hoe ze bij deze afdeling komen? Die deur laat me niet los, ze hebben een hoofdingang, wat impliceert dat er nog een andere is… Ik wil het niet weten. Voorlopig hoop ik dat het zuurstofkapje van mijn vader zijn werk goed blijft doen, ik ben nog niet toe aan die ene deur, daar beneden in de catacomben.

 

Eerder dan verwacht, maar wel met een gerust gevoel, zijn we door die “ene deur” daar beneden toch naar binnen gegaan. Het afscheid was mooi, emotioneel, maar papa heeft geen pijn meer en is bij zijn broer.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s